Edward Vanhoutte & Dirk Van Hulle (red.)

edward.vanhoutte@kantl.be
dirk.vanhulle@ua.ac.be
© 1998-2004 Samenstelling en inleiding: Edward Vanhoutte en Dirk Van Hulle
© 1998-2004 Artikels: de auteurs
© 2004 On-line versie: CTB

Oorspronkelijke publicatie: Edward Vanhoutte & Dirk Van Hulle (red.), Editiewetenschap <!--in de praktijk--> (Gent: Genese & KANTL, 1998. 133 p.).

Download Editiewetenschap <!--in de praktijk-->[PDF] (556kB)


Inhoud

Wie de genese van deze publicatie wil nagaan, start het beste bij de Studiedag Editiewetenschap die op 3 december 1997 plaatsvond op het departement Germaanse Taal- en Letterkunde van de Wilrijkse campus van de Universiteit Antwerpen. Deze studiedag wilde een platform bieden voor jonge onderzoekers in Vlaanderen. Hun lezingen werden gecontextualiseerd door lezingen van collega's uit Nederland en oudere onderzoekers uit Vlaanderen). Deze publicatie dat een eerste resultaat was van die studiedag, wil een bijdrage zijn tot en een documentatie van de editiewetenschap in de praktijk in Vlaanderen.

In zijn overzicht van de editiewetenschap in Vlaanderen wijst Marcel De Smedt op de zorgelijke toestand van de bestaande edities van literaire werken uit het Zuidnederlandse taalgebied. Toch stipt hij aan dat er de laatste jaren ook heel wat belangrijke initiatieven zijn genomen aan de Vlaamse universiteiten. Naast de interuniversitaire werkgroep Genese, die dit tekstonderzoek coördineert, steunt de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde ook financieel een aantal editieprojecten.

In Nederland wordt het editiewerk gecoördineerd door het Constantijn Huygens Instituut, dat zich tot voor kort bijna uitsluitend op de Duitse editietraditie oriënteerde, maar – zoals Peter de Bruijn uiteenzet – in toenemende mate kennis neemt van inzichten uit de Angelsaksische editietheorie en -praktijk. Gezien het beperkte Nederlandstalige afzetgebied probeert het CHI met een flexibele editiepraktijk diverse publieken met een uitgave (voorlopig nog altijd op papier) te bedienen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het werk van Noord- en Zuidnederlandse schrijvers.

Hoewel het werk van Richard Minne niet in Nederland wordt uitgegeven, is de historisch-kritische editie van Minnes volledige dichtwerk wel gemodelleerd naar de uitgave van Nijhoffs Gedichten, bezorgd door G.J. Dorleijn en W.J. van den Akker. Yves T'Sjoen zet uiteen hoe in de editie van Minnes dichtwerk de ontstaans- en drukgeschiedenis van In den Zoeten Inval wordt beschreven, onder meer op basis van relevante fragmenten uit de onuitgegeven correspondentie van Minne met Raymond Herreman en Maurice Roelants.

Op dit Minne-project bouwt een ander project aan de Universiteit Gent rond het werk van Maurice Gilliams voort. Yves van der Fraenen schetst de uiterst gecompliceerde drukgeschiedenis van Gilliams' werken zoals Elias of het gevecht met de nachtegalen en Winter te Antwerpen. Gezien het grillige karakter van Gilliams' nalatenschap is het noodzakelijk uit de overvloed aan tekstversies een selectie te maken alvorens tot een tekstgenetische presentatie over te gaan. Het werk van Gilliams vormt een dankbaar object voor variantenonderzoek omdat de auteur zijn teksten voortdurend bleef herwerken en daardoor bij uitstek de auteur van een poëtica is.

Het poëtica-onderzoek vormt ook in het geval van Louis Paul Boon het overkoepelende kader voor de tekstedities die het Booncentrum aan de Universiteit Antwerpen bezorgt. Koen Haagdorens bewerkte en actualiseerde een artikel van Ernst Bruinsma dat eerder al in Spiegel der Letteren verscheen. Ze beschrijven hoe het Booncentrum, om het ′ontromantiseringsproces′ dat het werk van Boon kenmerkt in kaart te brengen, Boons literatuur- en kunstkritische werk bundelt en uitgeeft. Naast deze editie, waarvan reeds vier delen verschenen zijn, werkt het Booncentrum onder meer ook aan een wetenschappelijke heruitgave van Boons creatieve werk en aan de editie van drie onuitgegeven, deels onafgewerkte romans van Boon.

Een van de Vlaamse literaire oeuvres die door het Nederlandse Constantijn Huygens Instituut worden uitgegeven is het werk van Willem Elsschot. Wieneke 't Hoen ontwerpt een kritische leeseditie van Elsschots verzamelde werk, waarbij zij voor de collatie van de verschillende bronnen gebruik maakt van het collatieprogramma TUSTEP. Uit haar ervaringen blijkt dat deze elektronische aanpak grote voordelen biedt bij het editeren van literaire werken.

Het gebruik van de computer hoeft echter niet beperkt te blijven tot een ondersteunende functie, zoals blijkt uit het dubbelartikel van Dirk Van Hulle, die op het James Joyce Centrum aan de Universiteit Antwerpen onder meer werkt aan een elektronische hyperteksteditie van een fabel uit Finnegans Wake, en Edward Vanhoutte van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, die in samenwerking met Marcel De SmedtDe Teleurgang van den Waterhoek van Stijn Streuvels op basis van SGML elektronisch zal uitgeven. Aangezien ook voor papieren edities nu al gebruik gemaakt wordt van de computer, is de stap naar elektronische edities niet groot meer. Toch is er een wezenlijk verschil. Een elektronische editie draagt meerdere representatiemogelijkheden in zich omdat ze, in tegenstelling tot een traditionele uitgave, niet op één enkel eindresultaat gericht is maar in de eerste plaats investeert in een zo uitgebreid en toegankelijk mogelijk databestand dat decennia lang kan meegaan. SGML/TEI biedt de beste oplossing om deze data te coderen. Vandaar dit pleidooi voor een editiebeleid dat deze nieuwe ontwikkelingen op de voet volgt.

-->