Edward Vanhoutte

edward.vanhoutte@kantl.be

1.

In 1948 stelde Ger Schmook (1898-1985), de toenmalige conservator van het huidige AMVC-Letterenhuis en lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, een gedetailleerd plan op voor een cumulatieve uitgave van de correspondentie van Vlaamse literatoren. In zijn 'Pleidooi voor de uitgave van de brieven van negentiendeeuwse Vlaamse figuren'[1] die hij uitsprak op de septembervergadering van de Gentse Academie wilde hij, vanwege het belang van een dergelijke uitgave voor zowel de wetenschap als het culturele bewustzijn, een compromis vinden tussen 'de dissekerende neigingen van de historicus op geduld ingesteld' en de 'soms wild uitslaande bliksems van de spontane artist, die het geheim van de geboorte van zijn werk, of het werk zelf, als een teer mysterie beschut voor onbescheiden profane blikken.'[2] Dit compromis werd echter nooit gerealiseerd; het merendeel van de Academieleden was niet voor het project te vinden[3] en de discussie hieromtrent verzandde in de blijkbaar onverzoenbare tegenstelling tussen de eisen van de wetenschap en de bescherming van de privacy van al wie bij een correspondentie betrokken is. Schmook had immers geargumenteerd:

waarom mag, wie ook, een dagboek aanleggen en dit soms opzettelijk, ongetwijfeld subjectief, geschreven factum publiceren of als een tijdbom postuum doen publiceren zonder de ′tegenpartijen′ ook maar enigszins een kans op verdediging te gunnen? En zouden brieven, die correcties kunnen aanbrengen, zij het ook subjectieve, achterwege moeten blijven? Beide genres behoren in gelijke mate tot de ′ik-belijdenis′. Historisch gezien is het dus onbillijk ze op ongelijke voet te behandelen uit vrees, uit schuchterheid of om welke hogere ingeving ook.[4]

Bij de praktische uitwerking van de uitgave van briefwisselingen is deze verzuchting ook vandaag nog aan de orde, en bestaat er helaas geen duidelijk wettelijk kader waarbinnen de publicatie van briefwisseling probleemloos kan gebeuren. Brievenprojecten stranden daarom vaak met veto's van (de erven van) één van de betrokken partijen, brievenuitgaven worden gecensureerd, er wordt een gedwongen selectie gepubliceerd die een welbepaald doel dient, of editeurs en literatuurhistorici krijgen simpelweg geen toegang tot bepaalde brievencollecties.[5]

Ger Schmook wou niet alleen dat dit negentiende-eeuwse brievenmateriaal toegankelijk zou worden, hij was evenzeer bekommerd om de manier waarop dit zou gebeuren. Met veel aandacht voor uniformiteit legde hij de Academieleden een 'lang niet utopisch werkplan'[6] voor in zeven stappen, die we makkelijk kunnen onderverdelen in drie fasen die overeenkomen met de pijlers waarop het werk van het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie is gebouwd, namelijk: inventarisatie, studie en valorisatie (in Schmooks voorstel respectievelijk inventariseren en verzamelen, geannoteerde afschriften maken, en verspreiden).

In een eerste fase beschreef Schmook hoe een samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen had moeten resulteren in een lijst van 'de opslag- en bergplaatsen van geschreven overleveringen, waarin te begrijpen zijn de archieven van geestelijke en van wereldlijke, van allerlei aard en inzonderheid de archieven van persoonlijke nalatenschappen in België en Nederland aanwezig.'[7] De in de lijst voorkomende instellingen zouden vervolgens om toestemming gevraagd worden voor het transcriberen en ter beschikking stellen van de documenten in hun bezit. Een commissie van de Academie zou in tussentijd een prioriteitenlijst moeten opstellen van Vlaamse auteurs en figuren die in het uitgeefproject opgenomen zouden worden, waarna een werkcentrum de briefwisseling actief zou opsporen, zich beperkend tot de brieven van een bepaald auteur. 'De briefwisseling ′aan′, voor zover het een Vlaming of Nederlander is, komt dan als vanzelf aan de beurt zodra de geadresseerde als auteur op het appel moet verschijnen.'[8]

Een tweede fase had volgens Schmooks plan moeten bestaan uit het verzamelen van diplomatische 'afschriften', 'hetzij deze geleverd worden, hetzij afschrift genomen wordt door het werkcentrum na toezending of afhaling van de documenten.'[9] Het afschrijven zou gebeuren 'op quarto-bladen [...] diplomatisch, met machineschrift'.[10] Schmook merkte hierbij op dat zijn plan niet de kritische uitgave van briefwisseling beoogde: 'Dat werk komt nooit klaar, doch wel de bezorging en de verspreiding van het werkmateriaal ten behoeve iedereen.'[11]

Een derde fase van het uitgeefproject betrof dan de publicatie en verspreiding van de verschillende afleveringen van de bronnenpublicatie in zulk een vorm dat een flexibele toegang tot het materiaal mogelijk werd gemaakt. Met een gecombineerde aandacht voor standaardisering en systeemarchitectuur behandelde Schmook in zijn voorstel achtereenvolgens het drukprocédé, het formaat van de brieven en de organisatie van de publicatie. De afschriften zouden 'in reductie geclicheerd'[12] worden op een zink- of kopercliché dat werd gebruikt voor de reproductie met een soort van offset-procédé waarmee op dat moment werd geëxperimenteerd.[13] Daarbij gaf Schmook zeer gedetailleerde afmetingen voor de bladspiegel en de letterhoogte. De brieven zouden

tot één enkel eenheidsformaat teruggebracht en aan de inschrijvers bezorgd op 2, 4, 6, 8 geopisthografeerde blz. al naar de omstandigheden het vereisen en van custoden voorzien. De afdrukken worden los, d.w.z. per brief, op dundrukpapier geleverd. Zij dragen elk de auteursnaam, data van de brief en van de verzending en ontvangst, naam en adres van bestemmeling en een rangschikkingsindicatie samengesteld aan de hand van A. Cutters ′Author Marks′. Bovendien vermelden zij in voetnoot de standplaats van het document, de beknopte beschrijving, het formaat, eventueel bibliografische gegevens (copie, gereproduceerd in...).[14]

Bij de brieven zouden kaften geleverd worden die toelaten het materiaal hetzij chronologisch, hetzij per auteur of per geadresseerde te verzamelen. Door de combinatie van veranderbare rugmerken op de hulzen waarin de kaften bewaard kunnen worden en de unieke signaturen op het briefmateriaal zou het daarenboven op gelijk welk ogenblik mogelijk zijn nieuwe aanwinsten in de collectie te voegen.

2.

Het lijkt misschien vreemd terug te grijpen naar een voorstel uit 1948 waarin de papieren uitgave van brievenmateriaal wordt beschreven, nu de elektronische editie onmiskenbaar opgang maakt, maar dat is het niet. Schmook concipieerde zijn plan vanuit de idee dat edities van brievenmateriaal sinds de twintigste eeuw niet meer gemaakt werden voor een lezerspubliek, maar voor een publiek van gebruikers die snel toegang wilden hebben tot een archief van brievenmateriaal en er veelvuldig wilden aan refereren – een shift die volgens Robert Halsband duidelijk bevestigd werd door de wildgroei van indexen in edities.[15] De laatste jaren echter is er een toegenomen interesse ontstaan voor ego-documenten. Leesedities van dagboeken en briefwisseling worden opgenomen in de catalogi van commerciële uitgevers, en de bloei van de zogenaamde auteursgenootschappen in Vlaanderen en Nederland hebben de vraag naar edities van briefmateriaal doen stijgen. Naast de professionele gebruikers die een archief willen om aan te refereren of om onderzoek op te baseren, is er in de eenentwintigste eeuw opnieuw een publiek dat brievenedities wil lezen. Beide vormen kunnen – mits doordacht opgezet – probleemloos aangeboden worden door een digitaal archief van brievenmateriaal dat veruit de meest handige en flexibele realisatie biedt van het concept 'brieveneditie'. De computer is immers bij uitstek goed in het behandelen en ordenen van informatie.[16] Met een goed georganiseerd elektronisch archief van correspondentiemateriaal en geïncorporeerde tools kan de gebruiker volgens zelf ingestelde parameters (chronologie, thema, geografie, afzender, bestemmeling,...) zijn of haar eigen gebruikersedities genereren.[17] Tezelfdertijd kan het gebruik van het elektronisch archief de grenzen van de (historische) literatuurwetenschap ontstijgen en kan een dergelijk archief als corpus gebruikt worden voor stilistisch onderzoek, sociolinguïstiek, diachroon en synchroon lexicaal onderzoek, etc.

Een elektronische editie komt echter niet automagically tot stand. Het plannen, opzetten, uitvoeren en realiseren van een dergelijk project vereist heel wat realiteitszin over en kennis van het elektronische paradigma. Net dat grote realiteitsgehalte en die gedetailleerde praktische uitwerking waren de grote kwaliteiten van Schmooks visionaire plan. Veruit alle aandachtspunten die aan de orde komen bij de start van een elektronisch editieproject, komen in zijn 'Pleidooi' aan bod: copyright issues, haalbaarheid van het project, gefaseerde beschrijving van het project, financiering, samenwerkingsverbanden, project-management, evaluatie van de contemporaine technieken en standaarden, voorschriften voor standaarden van transcriptie en weergave, inrichting van de publicatie, toegankelijkheid, herbruikbaarheid, en duurzaamheid van de gegevens,[18] publicatieplan met marktonderzoek, een concreet stappenplan, etc.

Daarom zal ik in deze bijdrage Schmooks drie-fasenplan gebruiken als leidraad bij de voorstelling en bespreking van een lange-termijn project van het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie waarbinnen minstens alle brievenprojecten van het CTB zullen worden opgenomen. Onder de naam DALF – wat staat voor Digital Archive of Letters in Flanders – wordt een methodologie ontwikkeld, binnen het CTB de methodologie, voor de elektronische editie van brievenmateriaal. De implementatie van dit project zal leiden tot een steeds maar groeiende textbase van de correspondentie van vooral 19de- en 20ste-eeuwse Vlaamse auteurs waarbij van bij het begin gefocust moet worden op twee cruciale probleemgebieden: input en output.[19]

Enerzijds moeten we komen tot een situatie waarin alle brievenprojecten van het CTB, en waarom niet alle edities van correspondentiemateriaal die als eindverhandelingen aan onze Vlaamse universiteiten worden voorgelegd, als rechtstreekse input gebruikt kunnen worden voor DALF. Dit onderzoek heeft betrekking op het ontwikkelen van een flexibele en geschikte XML-DTD (eXtensible Markup Language-Document Type Definition), een systeemarchitectuur en methodologieën voor de digitalisering, beschrijving en markup van het documentaire materiaal, samen met het uitschrijven van richtlijnen en procedures voor het taggen en remediëren van tagging-variatie in de geleverde input[20] en het ontwikkelen van tools die de editeur helpen de input conform de richtlijnen aan te leveren.

Anderzijds moeten we ervoor zorgen dat het groeiende digitale archief voor elke gebruiker een relevante vorm van output kan genereren. Daarbij denk ik aan de presentatie van het materiaal zowel in plain vanilla XML, in gebruikers-gestuurde dynamische on-line edities, als in off-line en klassieke papieren spin-off producten. Dit tweede deel van de onderzoeksfase concentreert zich op de vraag hoe een gebruiker omgaat met een brieveneditie, hoe zij zou willen omgaan met de editie en hoe de DALF-interface op een zo economisch mogelijke manier de gebruiker tot bij een overzichtelijk antwoord op haar vraagstelling kan brengen.

3.

Nemen we Schmooks plan weer ter hand, dan doemt een eerste probleem meteen op met het ontbreken van een location register of inventaris van 'de opslag- en bergplaatsen van geschreven overleveringen' in Vlaanderen. Reden hiervoor is vooral het ontbreken van een cultureel archiefbeleid in het verleden, dat ervoor gezorgd heeft dat Vlaanderen een gigantische achterstand heeft opgelopen op het vlak van conservatie en ontsluiting van het culturele erfgoed.[21] Aan deze situatie verandert er momenteel echter niet veel. Ten eerste is het opzetten van een dergelijk inventarisatieproject een hele onderneming die niet past binnen het huidige erfgoedbeleid dat dweept met het mantra van 'het maatschappelijk engagement' en de doorgedreven publieksparticipatie. Een dergelijke erfgoedbenadering staat de serieuze wetenschappelijke ontsluiting van ons cultureel erfgoed binnen het huidige erfgoedbeleid in de weg.[22] Ten tweede is er de miskenning vanuit de politieke departementalisering dat het broodnodige wetenschappelijk onderzoek binnen onderzoekscentra, archieven, bibliotheken en bewaarplaatsen de basis is voor de degelijke ontsluiting van het cultureel erfgoed dat pas in een derde fase kan leiden tot publieksproducten en valorisering. In de huidige politieke realiteit is er weinig sprake van een synergie tussen en een geïntegreerde aanpak van de drie betrokken departementen (cultuur, wetenschapsbeleid en onderwijs) omtrent dit probleem.[23] Met als resultaat dat archieven blijkbaar niet wetenschappelijk mogen bestuderen, een onderzoekscentrum zoals het CTB eigenlijk 'niet past' binnen het departement cultuur, de bibliothecarissen aan onze universiteiten en hogescholen recent werden gedegradeerd tot technisch personeel en hun bibliotheken geen wetenschappelijke opdracht meer hebben.

Toch werden recent enkele aanzetten gegeven in de juiste richting. Naar aanleiding van mijn studie Zorgen voor later,[24] die slechts een aanzet wil zijn voor het grotere werk, organiseerde de VVBAD een studiedag rond de wetenschappelijkheid van de ontsluiting van het culturele erfgoed.[25] Een andere aanzet wordt gegeven door de Archievenbank, een initiatief van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en een samenwerkingsverband tussen de vier ideologische archieven, dat in de komende jaren moet uitgroeien tot een (vrijwillig) meldpunt voor bedrijfsarchieven en persoonlijke archieven.

Van een prioriteitenlijst van de uit te geven correspondentie die is opgesteld op basis van een inventaris van het archivalische bezit in Vlaanderen is dan vanzelfsprekend helemaal nog geen sprake. Het DALF project wordt initieel gevoed door de brievenprojecten die op het onderzoeksprogramma van het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie voorkomen.

4.

Bij de beschrijving van de tweede fase van zijn plan drukte Schmook de toenmalige toehoorders op het hart dat hij niet de kritische editie beoogde van de opgenomen brieven, maar zich vooral wilde concentreren op het toegankelijk maken van het bronnenmateriaal. Die toegankelijkheid zou gegarandeerd worden door de vorm waarin het materiaal gepubliceerd zou worden. Standaardisering en uniformisering waren hierbij van cruciaal belang.

Het is aanlokkelijk om die zorg om de standaardisering van de vorm te transponeren naar de realiteit van de elektronische editie. De kern van elke elektronische editie is echter niet – zoals velen wellicht aannemen – de hyperteksttechnologie waarvan ze gebruik maakt, maar de markup waarmee de structurele en semantische kenmerken van een tekst expliciet worden benoemd. Hypertekst is slechts de softwarematige interpretatie en visualisering op het gebruikersniveau van geëxpliciteerde informatie die op het basisniveau van de elektronische tekst te vinden is. Die elektronische tekst is altijd een transcriptie, d.w.z. een representatie, van het documentaire origineel, en om wetenschappelijk van enig nut te zijn, moet die transcriptie zo nauwkeurig mogelijk kunnen gebeuren. In conventionele papieren edities gebruikt men hiervoor lay-out oplossingen en diakritische tekens: rechte haken, schuine strepen, ronde haken, sterretjes, vishaken, insprongen van x aantal spaties, dubbele vishaken, etc. Hierbij hoort altijd een verantwoording die de gebruiker erop wijst dat code x in de editie gebruikt wordt om code y in het eigenlijke document te representeren. Een beetje als het spelletje waarbij kinderen Chinees spreken door elke r te vervangen door een l. Alleen wie de code beglijpt, kan het oligineel leconstluelen. Deze praktijk kent zijn absurd hoogtepunt in de conventie om wat in het manuscript onderstreept is, cursief af te drukken in een editie. Het is natuurlijk zo dat men niet cursief kan schrijven, en dat een auteur die haar manuscript aan een drukker geeft, met die onderstrepingen aangeeft waar de drukker cursieven moet gebruiken. Maar brieven worden meestal niet geschreven met publicatie in het vooruitzicht, en men schreef trouwens al brieven voor het cursief zijn intrede deed in de drukkerswereld. We vergeten hier bijna waar het bij onderstrepingen echt om gaat: namelijk het expliciet markeren van een stuk tekst dat om de een of de andere impliciete reden afwijkt van de omliggende tekst. De mens beschikt over het intellect om op basis van zijn of haar kennis die reden te herkennen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een woord in een andere taal, een titel van een werk, een retorische benadrukking etc. De computer heeft die intelligentie niet. Het zou daarom zeer onverstandig zijn om de transcriptie van een origineel document naar een elektronische tekst te beperken tot het aanduiden van alleen vormelijke kenmerken, laat staan een bestaande papieren editie te digitaliseren waarbij een verdere verdichting van de code niet uitblijft – de gedigitaliseerde editie gebruikt dan code z om code x in de bestaande editie te representeren die op zijn beurt code y in het eigenlijke document vertegenwoordigt. Daarom is er nood aan een gestandaardiseerde formele expressie aan de hand waarvan de computer teksten kan identificeren als zijnde van het type 'brief' en intelligent kan omgaan met informatie.

5.

Zowel bij een conventionele editie van correspondentie als bij de elektronische brieveneditie speelt het debat over een definitie van een brief een centrale rol. De definitie die Siegfried Scheibe geeft in zijn artikel 'Some Notes on Letter Editing'[26] lijkt mij een goed uitgangspunt voor mijn betoog:

By a ′letter′ we understand written messages, information or orders which are meant to inform other persons (the addressee) and which were not written for publication. As a rule, they have a standard form beginning with a salutation, ending with a signature and frequently containing a date.[27]

Deze definitie kan formeel gerepresenteerd worden in het volgende algoritme:

formele representatie van Scheibes definitie

De formele representatie van Scheibes definitie

Scheibe stelt deze definitie voor vanuit een ongenoegen tegenover de onbruikbaarheid van de postale definitie van een brief, maar hij laat na te preciseren wat hij daaronder verstaat. Ik veronderstel dat de definitie die we in het woordenboek vinden, benadert wat Scheibe in gedachten had.

geschrift in de vorm van een toespraak, tot een of meer afwezige personen gericht om hem (hen) iets te doen weten, gesloten en van een adres voorzien verzonden.[28]

Dit kan als volgt geformaliseerd worden:

formele representatie van de postale definitie

De formele representatie van de postale definitie

Op het eerste gezicht verschillen beide definities inderdaad, maar als we aannemen dat het verzenden in de postale definitie een poststempel en dus een datum impliceert,[29] en we vanuit de realiteit weten dat de formele kenmerken 'salutation' en 'signature' slechts als optioneel kunnen beschouwd worden, lijken beide definities identiek te zijn. Het verschil zit echter in het onderscheiden van verschillende types van brieven: 'written messages, information or orders', die niet formeel gerepresenteerd kunnen worden.

Marita Mathijsen werkt Scheibes definitie verder uit door te wijzen op de noodzakelijke communicatieve relatie tussen de briefschrijver en de geadresseerde, en de expliciete toevoeging dat de brief, die zij definieert als 'tekst', bedoeld is 'ter verzending of overhandiging aan degene aan wie hij gericht is.'[30] Samen met Scheibe concludeert zij vervolgens dat bijvoorbeeld de openbare brief en de brievenroman uitgesloten kunnen worden van opname in een brieveneditie, evenals contracten, memoranda, schuldverklaringen en betalingsbewijzen.[31] Scheibe voegt daaraan toe dat zakelijke documenten die in de vorm van een brief overgeleverd zijn, evenmin in een brieveneditie thuishoren.[32] De correspondentie van en aan auteurs, artiesten, wetenschappers en politici bevatten nochtans niet alleen onschatbare informatie voor de studie van de genese, productie, betekenis en receptie van een werk, en voor de reconstructie en een beter begrip van de contemporaine mentaliteit en tijd waarin zij leefden, werkten en omgingen met elkaar, maar briefmateriaal wordt ook meer en meer van belang voor de economische, psychologische, politieke en sociale wetenschappen, om van de harde wetenschappen nog maar te zwijgen.[33] In deze disciplines is het zogenaamde Aktenschriftstück van evenveel belang als de privé-correspondentie en ze vullen elkaar trouwens meer dan eens aan. De grens tussen beide is soms erg moeilijk te trekken. In een artikel over de editie van Darwins correspondentie merkt Frederick Burkhardt op dat 'Some memoranda are signed and can with good reason be considered letters that simply lack a salutation and valedictory.'[34] Men kan zelfs aanvoeren dat als de bedrijfsbezigheid van een auteur of een componist respectievelijk schrijven en componeren is, alle brieven die handelen over de act en de problemen van het schrijven en het componeren als zakelijke documenten moeten worden beschouwd.

De formele structuur die een tekst als brief definieert, is bijgevolg geen argument voor het al dan niet opnemen van die tekst in een brieveneditie. De kwaliteit van privaatheid die door de editeur geëvalueerd moet worden,[35] is dat wel. Daarom is zelfs de meest documentaire of diplomatische behandeling van correspondentiemateriaal steeds subjectief in haar selectie. Bij de poging om principes op te stellen voor de selectie van documenten voor een editie van correspondentie wordt de basisvraag Wat is een brief? vaak geïnverteerd en leidt het debat over wat er in een brieveneditie thuishoort tot een opsomming van wat niet in een brieveneditie thuishoort, en dus tot een negatieve definitie van wat een brief niet is. Zo bijvoorbeeld bij Irmtraut Schmid:

Ein Brief ist ein Verkehrsschriftstück, das nicht zu einem Aktenschriftstück geworden ist.[36]

6.

Bij de digitale beschrijving van correspondentiemateriaal moeten we ook beschikken over een vocabularium voor het toevoegen van semantische informatie. En net daarom is elke definitie van een brief die tot dusver werd gegeven in editietheoretische geschriften en verantwoordingen van brievenedities ontoereikend als basis voor de beschrijving van de brief als een specifiek type van document.

Om tot een bruikbaarder benadering te komen van het concept brief, keren we even terug op het eerste gedeelte van Mathijsens definitie dat de nadruk legt op de communicatieve situatie die de brief teweegbrengt:

Een brief is een tekst die gericht is op het in stand houden of leggen van contact tussen schrijver en een niet anoniem persoon [...][37]

De drang om een boodschap over te brengen, en dus een communicatieve situatie tot stand te brengen, is volgens Irmtraut Schmid trouwens een van de gemeenschappelijke motieven voor de oorsprong van al het overgeleverde documentaire materiaal, wat hij 'Zeugnisse der Vergangenheit' noemt.[38]

Een relevant model voor de analyse van die communicatieve situatie vinden we in het werk van Roman Jakobson. In zijn model dat van toepassing is op elke act van verbale communicatie onderscheidt hij zes constitutieve factoren[39] waaraan hij evenzoveel communicatieve functies koppelt. Het hele model kan als volgt worden geschematiseerd:[40]

Semiotic factor Illustratie Communicative function

addresser

zender

emotive

message

boodschap in code

poetic

addressee

ontvanger

conative

context

extra-linguïstische realiteit

referential

code

natuurlijke taal

meta-lingual

contact

brief

phatic

Jakobsons communicatief model

Nemen we de brief nu als fysiek kanaal waarmee de communicatieve situatie tot stand wordt gebracht, dan kan dit model een beter benadering zijn voor het opstellen van een document type definition voor de brief. Niet alleen bestrijkt het model alle reeds vermelde definities met hun verfijningen, maar de zes communicatieve functies die Jakobson onderscheidt en verbindt met elke constitutieve factor, vormen samen een framework aan de hand waarvan alle reeds vermelde soorten materiaal waarmee de brievenediteur geconfronteerd kan worden, kunnen worden beschreven.

Een formele expressie voor de definiëring van de brief als bepaald type van document (Document Type Definition) moet dus niet alleen elementen bevatten voor de beschrijving van de zes constitutieve factoren:

  • the sender (<sender>)
  • the message (<body> van een brief)
  • the recipient (<recipient>)
  • referenties aan de extra-linguïstische realiteit (vb. <title>, <name>, <place>, <date>, etc.)
  • de taal van de brief (<language>)
  • de fysieke kenmerken van de brief vb. in een collatie (<coll>), de kenmerken van de envelop (<envelope>), etc.

Maar de DTD moet ook voorzien in tags voor de beschrijving van de communicatieve functies:

  • emotive: expressiviteit en toon van de brief ('genre')
  • poetic: manier waarop een bericht de aandacht trekt op zijn eigen interne organisatie (vb. renditie)
  • conative: stylistics
  • referential: grammatica
  • meta-lingual: glossing
  • phatic: pragmatiek, het starten en onderhouden van het contact (vb. aanspreking).

8.

Het opstellen van een dergelijke Document Type Definition voor DALF is een hele (technische) onderneming waarover elders verslag wordt gedaan.[41] Het volstaat hier om te vermelden dat de DALF DTD gedefinieerd is als een extensie[42] op de DTD's van het Text Encoding Initiative (TEI)[43] die markup schema's bevatten voor alle communicatieve functies en de meeste van de constitutieve factoren.[44] Voor de documentatie van de bibliografische en archivalische metadata werd het werk gebaseerd op de MASTER DTD (Manuscript Access through Standards for Electronic Records).[45] De voorstellen ontwikkeld door het Model Editions Partnership[46] bleken niet interessant te zijn voor ons opzet, omdat het MEP zich vooral richt op het digitaliseren van bestaande gedrukte edities van correspondentie en DALF de transcriptie van primair documentair materiaal op het oog heeft, op basis waarvan brievenedities gegenereerd kunnen worden.

9.

In 1934 publiceerde de Belgische internationalist en documentalist Paul Otlet (1868-1944) met zijn Traité de Documentation[47] wellicht het eerste systematische overzicht van wat we vandaag information science noemen. Otlet zette een netwerk op van organisaties die ijverden voor de integratie van databanken met bibliografische gegevens, teksten en beelden. Om dit te realiseren, gebruikte hij een simpele technologie, namelijk de standaardisering van de fichekaart of het gegevensblad. Op die kaarten en bladen konden afzonderlijke informatie-eenheden of stukken tekst worden getikt of geschreven – wat Otlet het Monographic Principle noemde – en die werden vervolgens geordend volgens the Universal Decimal Classification dat hij ontwikkelde op basis van Melvil Deweys Decimal Classification. Het hele informatiesysteem was een verre voorloper van de huidige hypertekst/hypermedia-systemen waarmee het ene aan het andere stuk informatie gekoppeld wordt. Otlet speculeerde in zijn Traité trouwens op de mogelijkheden van on-line communicatie, speech recognition systemen, en de functies van computersystemen, 'though of course he does not use this terminology.'[48]

In 1945 droomde Vannevar Bush een visionair apparaat – de Memex genaamd – dat beschikbare en verwachte technologieën i.v.m. droge fotografie, compressietechnieken m.b.v. microfilm, speech recognition, OCR, verwerkingssnelheden, televisie, fax, etc. combineert voor het beheer van grote hoeveelheden informatie volgens het systeem van wat toen nog geen hyperlinks genoemd werd.[49] Bush werd zo de grondlegger van het elektronische archief.

Het plan dat Ger Schmook in 1948 ontvouwde voor de leden van de Koninklijke Vlaamse Academie past perfect bij deze ideeën over informatiebeheer en -organisatie, maar was verre van visionair en speculatief. Net het uitgesproken realistische karakter van dit als niet-utopische gepresenteerde plan, heeft de uitvoering ervan wellicht in de weg gestaan. Zowel Otlets als Bushs plannen en ideeën werden in de een of de andere vorm reeds gerealiseerd. De voordelen van standaardisering en de flexibele mogelijkheden van een hypertekstueel ordeningsprincipe waarvoor hun teksten pleiten, spelen in het DALF-project een essentiële rol voor de uiteindelijke realisatie van Schmooks oorspronkelijke plan voor 'de uitgave van brieven van negentiendeeuwse Vlaamse figuren.'

een mogelijke user interface op DALF

Een mogelijke user interface op DALF

Noten

  • 1. Ger Schmook, 'Pleidooi voor de uitgave van de brieven van negentiendeeuwse Vlaamse figuren.' in: Verslagen en Mededelingen der Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1949, p. 23-42. [terug]
  • 2.Idem, p. 23. [terug]
  • 3. Zie hierover Verslagen en Mededelingen der Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1949, p. 49. [terug]
  • 4. Ger Schmook, 'Pleidooi', p. 25-26. In een minder visionair artikel dertien jaar later betreurde Schmook bij wijze van in- en aanleiding de deining die dit plan teweegbracht en behandelt hij de problematiek van de standpunten pro en contra: de dichotomie tussen de eisen van het wetenschappelijk onderzoek en de privacy van de kunstenaar. Zie Ger Schmook, 'Brieven bewaren; brieven publiceren.' in: De Vlaamse Gids, 1961/7, p. 431-453. [terug]
  • 5. Brieven worden door de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten gecatalogeerd onder de rubriek 'de werken van letterkunde'. Artikel 1 van deze auteurswet bepaalt bijgevolg dat alleen de auteur van een brief het recht heeft om de brief op welke wijze dan ook of in welke vorm dan ook te reproduceren of te laten reproduceren, te bewerken of te vertalen. Artikel 2 bepaalt dat na het overlijden van de auteur het auteursrecht gedurende 70 jaar blijft bestaan ten voordele van de persoon die hij of zij daartoe heeft aangewezen, of ten voordele van de erfgenamen. Maar daarmee is de kous niet af. De correspondentie tussen personen valt onder het recht op communicatiegeheim dat gewaarborgd wordt door artikel 29 van de Grondwet ('Het briefgeheim is onschendbaar') en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ('Een ieder heeft het recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling'). Bovendien heeft iedereen krachtens artikel 22 van de Grondwet recht op eerbiediging van zijn of haar privé-leven. Dit betekent in de praktijk dat het niet volstaat de (liefst geschreven) toestemming te verkrijgen van de auteur en de bestemmeling, maar dat alle geïdentificeerde of identificeerbare personen om toestemming moet gevraagd worden alvorens een brief gepubliceerd kan worden. [terug]
  • 6. Ger Schmook, 'Pleidooi', p. 24. [terug]
  • 7.Idem, p. 33. [terug]
  • 8.Idem, p. 34. [terug]
  • 9.Ibidem.[terug]
  • 10. Ger Schmook, 'Pleidooi', p. 24. [terug]
  • 11.Idem, p. 35. [terug]
  • 12.Ibidem.[terug]
  • 13.Ibidem.[terug]
  • 14.Ibidem.[terug]
  • 15. Robert Halsband. 'Editing the Letters of Letter-Writers.' in: Studies in Bibliography 11 (1958), p. 25-37 (26). [terug]
  • 16. Het is echter een misvatting dat die ordening met een computer hiërarchisch moet opgebouwd zijn. De computer heeft geen unieke voorkeur voor een welbepaalde structuur. Software en mensen wel. Onmiddellijke gevolgen daarvan zijn de beperkte functionaliteit van wat als hypertekst bekend staat op het World Wide Web en de problemen bij het beschrijven van overlappende hiërarchieën voor/met de computer. [terug]
  • 17. 'Papirutgaver er statiske: Når tekster først er trykket, kan vi ikke endre eller omstrukturere dem. Et elektronisk arkiv inneholder tekst som kan rettes, arkivet kan altså vedlikeholdes. Det betyr også at enkelttekster kan grupperes etter forskjellige ordningsønsker. For brevutgaver, for eksempel, kan man alltid diskutere alternative publiseringsstrukturer: skal brev ordnes kronologisk? geografisk? etter person (sender/mottaker)? tematisk? I en elektronisk utgave kan ′alle′ ønsker oppfylles, den binder ikke utgiveren til å velge den ene eller den andre ordning.' Espen Ore. (1999). '′Don't worry′ eller ′Mama, can this really be the end′?' in: Human IT, 1999/1, p. 215-225 (222). <http://www.hb.se/bhs/ith/1-99/eso.htm> [terug]
  • 18. 'gegeven het feit, dat wordt uitgegaan van een zink of kopercliché, is er ook het feit, dat van de hele Vlaamse briefwisseling ergens een centrale opslagplaats in duurzaam materiaal zal bestaan, waarbij het mogelijk blijft, voor nieuwe doeleinden nieuwe afdrukken te maken, terwijl de afschriften, die voor de cliché's gediend hebben, op zichzelf een volledige, niet gereduceerde, verzameling vormen, op een andere plaats te bewaren dan deze, waar de cliché's berusten, b.v. in Nederland.' Ger Schmook, 'Pleidooi', p. 36. [terug]
  • 19. Zie over het DALF-project ook <http://www.kantl.be/ctb/project/dalf/> en de lezingen Edward Vanhoutte, 'Dancing with DALF: Towards a Digital Archive of Letters written by Flemish authors and composers in the 19th and 20th century.' ACH/ALLC01, New York: NYU, 2001. (abstract op <http://www.nyu.edu/its/humanities/ach_allc2001/papers/vanhoutte/>); Joke Debusschere, Ron Van den Branden & Edward Vanhoutte, 'Stretching the TEI for the Transcription of Corpora of Modern Correspondence.' DRH02, Edinburgh: Edinburgh University Library, 10 September 2002; en Ron Van den Branden & Edward Vanhoutte: 'A Textbase Framework for the Description, Encoding, and Edition of Modern Correspondence Material.' New technologies, Old Texts, Leicester: De Montfort Unversity, 9 juli 2003. Voor een overzichtsartikel zie Edward Vanhoutte & Ron Van den Branden, 'Describing, Transcribing, Encoding, and Editing Modern Correspondence Material: a Textbase Approach.' in: Fred Unwalla & Peter Shillingsburg (red.), Computing the Edition. Toronto: Toronto University Press. (in druk) [terug]
  • 20. Terry Butler et al., 'Can a team tag consistently? Experiences on the Orlando Project.' in: Markup Languages: Theory & Practice, 2/2, p. 111-125. [terug]
  • 21. Dit werd door de voormalig Vlaams minister van cultuur Bert Anciaux bevestigd in zijn beleidsbrief over het cultureel erfgoed van mei 2001: 'Er is bijvoorbeeld geen overkoepelende inventarisatie: we weten niet wat we hebben.' (p. 5). Zie voor de volledige tekst: Bert Anciaux e.a., Informatiebrochure cultureel erfgoed. de dingen. de verhalen. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie cultuur, afdeling Beeldende Kunst en Musea, mei 2001. [terug]
  • 22. In plaats van een inhaalbeweging voor te stellen en de problemen structureel aan te pakken, introduceert de beleidsbrief de maatschappelijke positionering van de archieven als vertrekbasis voor de uitbouw van een dergelijk archiefbeleid: 'De vraag rijst of we niet eerst de gigantische achterstand op het vlak van conservatie en ontsluiting moeten wegwerken, om pas daarna aan deze recente, zingevende dimensie te denken.' (p. 7) 'Nee, zeg ik, zonder een breed maatschappelijk engagement halen we die achterstand nooit in. De bevolking en de diverse overheden horen eerst te weten hoe het met ons cultureel erfgoed gesteld is én hoeveel mogelijkheden we nooit hard hebben gemaakt.' (p. 3) Bert Anciaux, e.a. Informatiebrochure.[terug]
  • 23. De Nederlandse taal en literatuur zijn bijvoorbeeld de bevoegdheid van de minister van cultuur, terwijl wetenschappelijk onderzoek ressorteert onder wetenschapsbeleid. Dit betekent bijvoorbeeld dat het wetenschappelijk onderzoek dat aan het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde gebeurt 'problematisch' is voor het departement cultuur waartoe de Academie behoort. [terug]
  • 24. Edward Vanhoutte. Zorgen voor Later? Argumenten voor de Wetenschappelijke Bestudering van de Vlaamse Muzikale en Literaire Archieven, Bibliotheken en Bewaarplaatsen. Antwerpen: TCP, 2000. 180 p. [terug]
  • 25. Studiedag Voor eeuwig verloren. Documentenontsluiting, -beheer en -valorisering: een prewetenschappelijke bezigheid of wetenschappelijke arbeid? Stadsbibliotheek Antwerpen, 22 mei 2002. [terug]
  • 26. Siegfried Scheibe, 'Some Notes on Letter Editions: With Special Reference to German Writers.' in: Studies in Bibliography, 41 (1988), p. 136-148. [terug]
  • 27.Idem, p. 137. [terug]
  • 28. G. Geerts en H. Heestermans (red.), van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Elfde herziene druk. Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie, 1989, p. 448. [terug]
  • 29. Dit leidt ons tot de vraag of een brief die niet verzonden werd, ook kwalificeert als een brief. In de editie van de correspondentie van Charles Darwin, bijvoorbeeld, werden alle kladjes opgenomen, ook wanneer het onzeker is of er ooit een finale versie verstuurd werd. Cf. Frederick Burckhardt, 'Editing the Correspondence of Charles Darwin.' in: Studies in Bibliography, 41 (1988), p. 149-152. [terug]
  • 30. De volledige definitie luidt: 'Een brief is een tekst die gericht is op het in stand houden of leggen van contact tussen schrijver en een niet anoniem persoon of een aantal niet anonieme personen die met elkaar in betrekking staan en die in eerste instantie niet geïntendeerd is voor openbaarmaking. Gebruik van de aanspreekvorm is kenmerkend, evenals de aanwezigheid van een aanhef en een ondertekening. De tekst is bedoeld ter verzending of overhandiging aan degene aan wie hij gericht is.' Marita Mathijsen, 'Het dilemma van de brievenediteur.' in: Gezelliana, 1991/2 (Colloquiumnummer: Editiewetenschap en de briefwisseling van G. Gezelle), p. 10-25. Definitie op p. 16. [terug]
  • 31. Siegfried Scheibe, o.c., p. 138 en Marita Mathijsen, o.c., p. 16. [terug]
  • 32. Siegfried Scheibe, ibidem. [terug]
  • 33. Sulloway en Burckhardt hebben gewezen op het belang van de correspondentie van Darwin voor de reconstructie van de chronologie van zijn theorieën. Cf. F.J. Sulloway, 'Further Remarks on Darwin's Spelling Habits and the Dating of Beagle Voyage Manuscripts.' in: Journal of the History of Biology, 16 (1983), p. 361-390 en Frederick Burkhardt, o.c.[terug]
  • 34. Frederick Burkhardt, o.c., p. 152. [terug]
  • 35. In dit verband wil ik opmerken dat het weren van getikt of geprint materiaal uit een brieveneditie, zoals Winfried Woesler voorstelt niet meer houdbaar is in deze tijd waar de computer voor een groot stuk de pen heeft vervangen: 'Drucksachen, Computerbriefe, vervielfältige Rundschreiben werden in der Regel nicht aufgenommen.' Winfried Woesler, 'Vorschläge für eine Normierung von Briefeditionen.' in: Editio 2/1988, p. 8-18. Citaat op p. 9. [terug]
  • 36. Irmtraut Schmid, 'Was ist ein Brief? Zur Begriffsbestimmung des Terminus ′Brief′ als Bezeichnung einder quellenkundlichen Gattung.' in: Editio 2/1988, p. 1-7. Citaat op p. 4. [terug]
  • 37. Marita Mathijsen, o.c., p. 16. [terug]
  • 38. 'Bei allem überlieferten Schriftgut haben wir es mit Zeugnissen der Vergangensheit zu tun, für deren quellenmäßige Nutzung es nicht unwichtig ist, aus welchen Motiven heraus sie entstanden sind. Eines dieser Motive ist das der Mitteilung.' Irmtraut Schmid, o.c., p. 3. [terug]
  • 39. 'The addresser sends a message to the addressee. To be operative the message requires a context referred to (′referent′ in another, somewhat ambiguous nomenclature), seizable by the addressee, and either verbal or capable of being verbalized; a code fully, or at least partially, common to the addresser and addressee (or in other words, to the encoder and decoder of the message); and, finally, a contact, a physical channel and psychological connection between the addresser and the addressee, enabling both of them to enter and stay in communication.' Roman Jakobson, 'Linguistics and Poetics.' in: Thomas A. Sebeok (ed.), Style in Language. Cambridge, Massachusetts: The M.I.T. Press, 1971, p. 350-379. Citaat op p. 353. [terug]
  • 40. Vgl. Dirk Geeraerts, Wat er in een woord zit. Facetten van de lexicale semantiek. Leuven: Peeters, 1989. inz. hfst. 6 'Typologische facetten', p. 130-154. [terug]
  • 41. Zie o.a. de DALF-website waarop de volledige bibliografie over DALF te vinden is: <http://www.kantl.be/ctb/project/dalf/> [terug]
  • 42. Er moet bijvoorbeeld een uitbreiding komen voor de beschrijving van (de informatie op) de envelop, het postscriptum, berekeningen, voorgedrukte briefhoofden of ingesloten objecten zoals krantenknipsels, gedroogde bloemetjes etc. waarvoor in de hier vermelde schema's geen tags voorzien zijn. [terug]
  • 43. Zie <http://www.tei-c.org>. [terug]
  • 44. Sperberg-McQueen, C. M. and Lou Burnard (eds.), TEI P4 Guidelines for Electronic Text Encoding and Interchange. XML-compatible edition. Oxford, Providence, Charlottesville, & Bergen: The TEI Consortium, 2001. [terug]
  • 45.'MASTER is a European Union funded project to create a single on-line catalogue of medieval manuscripts in European libraries. This project has developed a single standard for computer-readable descriptions of manuscripts. It has created software for making these records, and tested the standard and the software on descriptions of some 2000 manuscripts. Many of these records will be mounted in a single networked catalogue, available to everyone. MASTER is funded under the Framework IV Telematics for Libraries call.' <http://www.cta.dmu.ac.uk/projects/master/> [terug]
  • 46. David R. Chesnutt, Susan M. Hockey en C.M. Sperberg-McQueen (1999). Markup Guidelines for Documentary Editions. <http://mep.cla.sc.edu/MepGuide.html> [terug]
  • 47. Paul Otlet, Traité de documentation: le livre sur le livre, théorie et pratique. Bruxelles: Editiones mundaneum,1934. [terug]
  • 48. W. Boyd Rayward. 'Visions of Xanadu: Paul Otlet (1868-1944) and Hypertext.' in: JASIS 45 (1994), p. 235-250. <http://alexia.lis.uiuc.edu/gslis/people/faculty/fac_papers/rayward/rayward3.html> [terug]
  • 49. Vannevar Bush, 'As We May Think.' in: The Atlantic Monthly, July 1945, 176/1, p. 101-108. <http://www.theatlantic.com/unbound/flashbks/computer/bushf.htm> [terug]

© 2003 Edward Vanhoutte & CTB.

This text is also published as Edward Vanhoutte. 'Een brief is een brief is een brief etc. Structurele en semantische problemen bij de elektronische editie van correspondentie.' in: Edward Vanhoutte & Yves T'Sjoen (eds.), Epistolaria. Tekstgenetische studies. Antwerpen: AMVC, 2003, p. 141-159.