Stijn Vanclooster


In deze reeks wordt telkens een auteur voorgesteld, die op de een of andere manier het pad van Timmermans heeft gekruist. In de derde aflevering komt Emmanuel de Bom aan bod. De Bom, die dit jaar vijftig jaar overleden is, heeft in zijn talrijke journalistieke bijdragen meer dan eens over de Lierenaar geschreven.

Emmanuel Karel de Bom werd op 9 november 1868 geboren te Antwerpen. Evenals bij Lode Baekelmans en Karel van den Oever, die in de vorige nummers van Zilveren Verpozingen werden voorgesteld, zal zijn geboortestad in zijn literaire werk blijvend sporen nalaten. Hoewel leergierig en artistiek begaafd, verlaat hij op zijn zeventiende de schoolbanken uit drang naar zelfstandigheid. Hij wordt bediende op het Antwerpse stadhuis en gaat al in 1888 meewerken aan het Antwerpse dagblad De Koophandel. Daar wordt De Bom opgemerkt door Pol de Mont, Jan van Rijswijck en Max Rooses, die hem steunen en inschakelen in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. In 1890 ontmoet hij August Vermeylen, onder wiens leiding hij het baanbrekende tijdschrift Van Nu en Straks (1893-1901) mee zal helpen stichten. Vermeylens blad neemt in 1897 zijn korte roman Wrakken op, een boek dat door literatuurhistoricus R.F. Lissens de eerste psychologische stadsroman in onze literatuur zal worden genoemd. In de vroege jaren negentig is De Bom sterk geboeid door de Noorse toneelauteur Hendrik Ibsen, onder wiens invloed hij een eigen toneelstuk (De pessimist, 1891) schrijft en die hij in Vlaanderen tracht te introduceren via zijn essay Hendrik Ibsen en zijn werk (1893). Vanaf 1891 is De Bom werkzaam in het Antwerpse bibliotheekwezen; in 1904 wordt hij onderbibliothecaris, in 1911 hoofdbibliothecaris van de Stadsbibliotheek. Vanuit deze bezigheid ontwikkelde hij nieuwe inzichten in het boekenvak, die hij o.a. verwoordde in zijn studie William Morris en het boek (1905). Denkbeelden in dezelfde richting had August Vermeylen al eerder in Van Nu en Straks naar voren gebracht. De Boms werkzaamheid als bibliothecaris bracht hem ook tot de organisatie van belangrijke exposities, waarvan vooral de Hendrik Conscience-tentoonstelling van 1912 moet worden genoemd. In de catalogus daarvan stelde hij voor om een museum over de Vlaamse letterkunde op te richten, waardoor hij de geestelijke grondlegger van het huidige Archief en Museum voor de Vlaamse Letterkunde ‒ het huidige AMVC-Letterenhuis ‒ kan worden genoemd. Baanbrekend voor de bibliotheekwetenschap in Vlaanderen en Nederland is het Tijdschrift voor Boek- en Bibliotheekwezen geweest, dat hij in 1902 met Victor dela Montagne en Willem de Vreese stichtte. De Boms literaire belangstelling ging aanvankelijk uit naar de Vlaamse romantische traditie, met name naar de verhalen van Conscience, Zetternam, Van Kerckhoven, Sleeckx en Snieders en de poëzie van Jan van Beers en Emmanuel Hiel, terwijl hij later bekoord werd door de poëzie van overgangsfiguren als Arnold Sauwen en Victor dela Montagne. Tevens raakte hij in de ban van Pol de Mont, die als Vlaams ijveraar een groot gezag genoot. De Monts invloed zou op dit vlak duurzaam zijn, want geheel De Boms werk als letterkundige en bibliothecaris zou zich blijvend richten op Vlaanderens culturele ontvoogding. Hetzelfde doel stond hem voor ogen met zijn schier eindeloze journalistieke arbeid. In 1904 werd hij in opvolging van Max Rooses de vaste Antwerpse correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, waarin hij bijna onafgebroken tot 1940 zijn kronieken over het Vlaamse geestesleven zal publiceren. Talrijke bijdragen leverde De Bom ook aan De Volksgazet, waarvoor hij na de Eerste Wereldoorlog ‒ van activistische sympathieën beschuldigd en als bibliothecaris ontslagen ‒ dankzij de bemiddeling van zijn vriend Stijn Streuvels journalist werd. In 1935 werd De Bom, die in 1926 overigens zijn taak als bibliothecaris kon hervatten, voor zijn vele en veelzijdige arbeid vereerd met opname in de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, waarvan hij in 1941 bestuurder zou zijn. Zijn hoge productiviteit zou haast aanhouden tot aan zijn overlijden op 14 april 1953 in zijn ‘Huis ten Heuvel’ in Kalmthout. ‘Mane’, zoals De Bom gemeenzaam wordt genoemd, schreef zijn vele kronieken meestal vanuit een persoonlijke betrokkenheid. Vaak zijn z’n stukken subjectieve getuigenissen, waarachter de lezer steeds een gulhartige persoonlijkheid voelt. Graag schreef hij over zijn eigen ervaringen bij nieuw verschenen werk van schrijvers die hij vaak persoonlijk kende en met wie hij een drukke of minder drukke briefwisseling onderhield ‒ de hoeveelheid brieven die hij naliet, is enorm! Met liefde liet hij ook het licht schijnen op vergeten kunstenaars of figuren van het tweede plan. Bijzonder graag schreef hij over het werk van Antwerpse schilders als Charles Mertens of Henri de Braekeleer, aan wie hij een aparte studie wijdde: Henri de Braekeleer en Antwerpen, 1941. In Het levende Vlaanderen (1917), Nieuw Vlaanderen. Kunst en leven (1925) en Dagwerk voor Vlaanderen. Ontmoetingen en portretten (1929) werden een aantal van zijn stukken gebundeld. Een treffend voorbeeld van De Boms benadering vindt men in het artikel ‘Pallieter bij de paus’ uit De Volksgazet van 21.5.1925, dat in het jaarboek 2000 van het Felix Timmermansgenootschap werd herafgedrukt (Een vinger in de hemel, p. 15-19). Het was zeker niet de enige keer dat De Bom over Timmermans schreef. In z’n journalistieke bijdragen komt Timmermans herhaaldelijk ter sprake en bovendien nam hij verschillende van die stukken later op in zijn boeken, bijvoorbeeld in de genoemde essaybundels. Afronden doen we met een van die stukken over de Fee, meer bepaald met enkele fragmenten uit De Boms bespreking van Boerenpsalm. Ze verscheen in Contact. Maandschrift voor boekenvrienden (15.8.1935, p. 3-6), het voormalige boekennieuwsblad van uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel, dat onder redactie stond van Maurice Gilliams.

‘Men zegt me: ik vind dat ’n triestig boek. Ja, als ge er de triestigheid in zoekt, die ook bij een Charley Chaplin zoo groot is: het leven, dat zwaar is, maar dat door den goede met een glimlach wordt gedragen. Boer Wortel is Job, en hij is ook Antonius. Hij wordt bezocht door alle kwalen en miseries, en de eene temptatie volgt op de andere. De duivel, de wereld en het vleesch ‒ ja, dat eeuwige vleesch vooral. Maar hoe overwint hij alles met zijn aangeboren humor, zijn levensliefde! [...] Hoe hij aan zijn eerste, later aan zijn tweede, en... niet aan zijn derde vrouw geraakt, dit wordt ons met kleuren en geuren uiteengedaan. Er is dat kleine ontroerende drama van den dood van ’t eerste kind Polleke. Wat een innigheid heeft vadertje Timmermans hier uitgesproken. Het tooneel van den boer, die op zolder met het kinderspeelgoed gaat spelen... Na den dood van zijn Fien, wien hij verzweeg dat hun zoon Fons zich verhing, krijgt hij te doen met Frisine, “de Bohemersche verleidster”. Het zijn wreede uren, als hij zijn Jezusbeeld zit te kerven en zij hem met haar streken tergt. Alle tormenten folteren hem. Maar ze trouwen: “zoo’n liefde lepelt u uit als een gekookt ei”.[...] En dit oorspronkelijk beeld: “In een klooster halen ze de pinnekens-draad uit een mensch zijn hart”. Iets liefs: “Zij had handel als kussens en kon melken da g’er naar kon luisteren als naar een harmonie”. Ingeleefd, door-en-door boersch: “Het zou een mensch zoo goed doen, rustig over al zijn verdriet zitten na te peinzen. Men zou het verdriet als een vat, emmer voor emmer kunnen leeg scheppen. Maar geen tijd daarvoor. Het blijft in uwe kop klotsen... Ziehier een woord, waar, ongewild komisch, heel de slimmigheid van den boer uit spreekt. Zijn tweede vrouw is dood. “De pastoor zegt dat hij voor mij een andere vrouw zal zoeken. Laat er hem geen vinden, o Heer! Ik heb er twee goede gehad, de derde zou kunnen mislukken.” Die geest ‒ waar altijd weer de ouwe Brueghel lijkt door te piepen ‒ vaart door heel het boek. In zijn bruuske overgangen van het lachwekkend-komische tot het pathetische kan Timmermans het groote benaderen. Tusschen de gelijkvloersche uitingen van den platten boerenmensch schiet opeens als een vlam een heerlijk woord op, als een gebed. Zoo, waar Wortel na den dood van zijn tweede vrouw zegt: “o Heer, wees gij de moeder van mijn kinderen, ik zal voor U het veld beploegen. Zegen mijn handen, zegen mijn oogen, zegen mijn hart. En geef mij die zware gerustigheid en die breede berusting waarmee een boer kan werken en werken moet. Doe er op tijd wat zon en regen bij. En dan zal ik voor U het brood voor de hostie, en het brood voor de menschen hun boterhammen, blij en fier uit den grond halen!” Misschien merkt men op: Zóó kan boer Wortel het wel niet zeggen. Ja-wel, en het is juist het wonderlijke, dat zulke woorden onverwachts uit de nederigste harten opwellen. Ik bezie dien boer van Timmermans met dezelfde liefde en ontroering, waarmede ik de herders uit het Porsinari-drieluik van Hugo van der Goes te Florence beschouw. Zij zijn eeuwige elementen ‒ en wat een trots voor Vlaanderen, dat er nog altijd kunstenaars geboren worden, die dàt voelen en zeggen kunnen. [...] Overvloed en gulheid en deemoedige en blije levensaanvaarding, waar het ons opheft en waar het ons slaat, deze hooge zuivere levensbeschouwing is die van Felix Timmermans en zijn Boerenpsalm. Met Stijn Streuvels’ Langs de Wegen en Karel van de Woestijne’s Boer die sterft vult deze Boerenpsalm een grootsche trits aan, die een glorie is voor onzen landaard, voor den Vlaamschen boer. Mogen ze alle drie de eeuwigheid ingaan. Boer Wortel zou zeggen: Merci, Onze Lieve Heer, op voorhand!’


© Stijn Vanclooster & CTB
Deze tekst verscheen als Stijn Vanclooster. 'Een verhaal rond Pirroen.' Uitleiding bij de heruitgave van Mijnheer Pirroen van Felix Timmermans.' Wijnegem: Felix Timmermanskring, 2003, p. 87-91.