Stijn Vanclooster

stijnvanclooster@hotmail.com

Zestig jaar na zijn overlijden is priester-dichter Camille Melloy (1891-1941), geboren Camillus Josephus De Paepe, in een verre vergeethoek verzeild. Deze 'kleine garnaal', die zijn pseudoniem koos ter ere van zijn Oost-Vlaamse geboortedorp Melle en meestal in het Frans dichtte, verdient dit lot evenwel niet. Het zou verkeerd zijn hem een centrale plaats in het literaire landschap toe te dichten, maar de relaties die hij met vele prominenten uit dit landschap onderhield, maken het de moeite waard even bij deze figuur stil te staan. De contemporaine literaire kritiek had overigens oog voor Melloy's kwaliteiten en bedacht verschillende van zijn werken met een gerenommeerde literaire prijs, zowel in eigen land als daarbuiten. Zijn boeken werden gunstig onthaald in Nederlands- en Franstalig België, Frankrijk, Nederland, Duitsland, Zwitserland en Engeland. Bovendien heeft Camille Melloy het werk van verschillende prominente Vlaamse en Nederlandse auteurs bekend gemaakt buiten het moederland. Zo wijdde hij in buitenlandse tijdschriften artikelen aan onder meer Guido Gezelle, Karel van de Woestijne, Stijn Streuvels, Felix Timmermans en Antoon Coolen en vertaalde hij Streuvels en Timmermans. In het bijzonder met die laatste twee schrijvers onderhield Melloy trouwens een hechte vriendschap.

Camillus Josephus de Paepe wordt geboren op 28 januari 1891, uit het huwelijk van Germanus de Paepe en Sidonie Stephanie Bogaert. Camillus is de jongste telg uit een gezin met zeven kinderen, van wie de oudste twee voortkwamen uit een eerder huwelijk van vader Germanus met Marie Emelia De Moor. Over zijn afstamming schreef Camille Melloy: 'J'appartiens à une famille purement flamande, dont les origines flamandes peuvent être controlées dans le passé jusqu'au 13e siècle'. Ondanks deze Vlaamse wortels zal hij later zijn literaire werk hoofdzakelijk in het Frans de wereld insturen. In 1906 treedt Melloy in het noviciaat van de congregatie van de paters Jozefieten te Geraardsbergen. Hij ontvangt er de kloosternaam Théodule, naar analogie van zijn twee oudere broers Joseph en Léopold, die als religieuzen respectievelijk de namen Théophile en Théodore dragen. Twee jaar later legt Camille Melloy zijn eerste geloften af. In 1909 voltooit hij zijn middelbare studies en gaat hij aan de Leuvense universiteit filologie studeren, waar hij na vier jaar tot doctor promoveert. Even daarna (in 1913) wordt hij leraar Frans aan het H. Drievuldigheidscollege te Leuven, terwijl hij ook verder studeert in de thomistische filosofie. In 1914 legt hij zijn eeuwige geloften af. De bekende hoogleraar en literatuuurwetenschapper R.F. Lissens, die in de poésis en retorica te Leuven van Melloy les kreeg, zal later zijn aantekeningen bij deze lessen opnieuw inkijken:

Verscheidene uren heb ik die notities doorgenomen, geboeid, verrast, nu en dan bewonderend. [...] Uit die blijkbaar gedicteerde bladzijden spreken orde, helderheid en evenwicht van kennis, sensibiliteit en intellect. [...] Ik heb een man onderkend van toewijding, overtuiging, een uitgebreide lectuur uit innerlijke noodzaak, een verfijnde smaak aanleunend bij de geëvolueerde traditie en wars van banaliteit en trivialiteit, een aan velerlei uitingen van literaire schoonheid geoefend aanvoelingsvermogen, een authentiek en onder controle gehouden schrijftalent.[1]

Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog scheept Melloy, op advies van zijn overste, te Oostende in naar het Engelse Weybridge, waar de Jozefieten een groot college runnen. Evenals alle Belgische mannen jonger dan 29 onder de wapens geroepen, vertrekt hij in 1915 naar Auvours in Frankrijk voor een opleiding tot brancardier. Vanaf 1916 bevindt hij zich in die functie aan het front in de sector Diksmuide. Hij werkt er mee aan enkele frontbladen en begint zijn eerste verzen te schrijven, zowel in het Nederlands (opgenomen in De Belgische Standaard) als in het Frans (gepubliceerd in Notre Belgique). Na de oorlog keert Melloy terug naar Leuven. Op dertigjarige leeftijd, in 1921, wordt hij tot priester gewijd. Een jaar later verschijnt in Tours (Frankrijk) zijn debuutboek Le beau réveil, een bundel opstellen, waaraan hij was beginnen te schrijven in zijn Leuvense leraarstijd. De titel is typerend en positioneert Melloy meteen. Met 'réveil' bedoelt de schrijver de katholieke herleving in de letteren, een wending in de literatuurgeschiedenis die hij enthousiast begroet en waartoe hij graag zijn steentje wil bijdragen.

In Frankrijk had de revolutie van 1789 ertoe geleid dat kerk en staat werden gescheiden, wat ook in het artistieke leven voelbaar werd in de totale scheiding van katholicisme en levende kunst. Paul Verlaine bracht daar als eerste verandering in. Zijn terugkeer in 1874 tot het katholieke geloof gaf de aanzet tot een hele reeks bekeringen. Men denke aan Paul Claudel, Joris-Karl Huysmans, Francis Jammes of later Charles Péguy. Al die figuren zullen een indringende invloed op Camille Melloy uitoefenen. Sommigen onder hen, zoals Francis Jammes en Paul Claudel, heeft Melloy nog persoonlijk gekend. Als schrijver braken zij allen radicaal met het naturalisme, dat naar hun smaak te eenzijdig de duistere kanten van het leven belichtte.

In de laatste decennia van de negentiende eeuw voelden zich ook in ons land wel meer schrijvers tot die ideeën aangetrokken. Zo waren er in Wallonië de politici en letterkundigen Henry Carton de Wiart en Pierre Nothomb (vader van Charles-Ferdinand) en werd in 1894 Durendal. Revue catholique d'art et de littérature opgericht. Het is in de traditie van de katholieke heroplevingsbeweging van toen dat we Camille Melloy's werk moeten plaatsen.

In Le beau réveil noemt Melloy als zijn twee grote voorbeelden Paul Claudel en Francis Jammes. Verder wijst hij Guido Gezelle als zijn 'maître inconnu' aan. Merkwaardig genoeg is hier een West-Vlaams particularist bij uitstek de inspirator van een Fransschrijvende Vlaming! Gezelle beklemtoonde immers, zoals niemand anders dat deed, de eenheid van taal en volk en streefde nadrukkelijk een eigen, oorspronkelijk taalgebruik na. Maar de parallel met Gezelle is wel heel duidelijk: evenals bij de West-Vlaamse priester-dichter moest literatuur voor Melloy allereerst een sociale en morele functie vervullen. Zoals Gezelles dichterschap fundamenteel was ingebed in zijn priesterschap, zo was ook voor Melloy dichten tweemaal bidden.

Een jaar later, in 1923, ziet te Brussel zijn eerste dichtbundel het licht: Le soleil sur le village. Het bundeltje werd uitgesproken positief onthaald en later driemaal herdrukt. Verstechnisch is het eerder zwak en nog onvoldragen. Al in die eerste verzen vallen de muzikale toon en de invloed van Paul Verlaine op. De themata die de dichter uitwerkt, zullen zijn hele dichterlijke oeuvre schragen: de liefde tot de geboortegrond en tot de eenvoudige mensen van het eigen dorp, de ontroering bij het dagelijkse natuurgebeuren, de lof der vriendschap, de behoefte tot inkeer en eenzaamheid en tegelijk het Franciscaanse gevoel van verbondenheid met al het geschapene. De eenzaamheid is bij Melloy altijd ambigu. Enerzijds neigt de dichter ertoe haar te cultiveren, anderzijds benauwt de eenzaamheid hem en wil hij zich ervan bevrijden, zoals het gedicht 'La solitude' (uit Le parfum des buis van 1929) treffend laat zien:

La solitude, affreuse ou douce, selon l'heure,
Sanctuaire ou prison: désormais ma demeure.

J'en aime le silence au fonds duquel j'entends
Les sandales glisser de mes bonheurs d'antan.
J'en aime les vitraux découpant les ogives
Ou les bonheurs futurs sur fond d'azur s'inscrivent.
J'en aime la pénombre, ou tels d'étranges fruits
L'or sombre de vos vers, ô les poétes, luit.

Mais quelquefois s'en vient troubler ma solitude
Cette rôdeuse à l'oeil mauvais: l'inquiétude,
Qui jette sur le mur une ombre a donner froid.
Comme alors le silence est grelottant d'effroi !
Et comme d'être seul fait mal, quand on écoute
Les pas d'amis anciens qui sonnent sur la route !'

In 1928 keert Melloy naar zijn geboortedorp terug en wordt hij leraar aan de poésis in het Jozefietencollege aldaar. In zijn lessen, die in het Frans worden gegeven, laat hij geregeld Nederlandstalige auteurs aan bod komen. Zo fleurt hij zijn colleges over 'la technique littéraire par l'exemple' op met tekstvoorbeelden uit Gezelle, Timmermans en Streuvels. Melloy's reizen naar o.a. Italië en Griekenland en zijn persoonlijke ontmoetingen met vooraanstaande figuren uit de literaire wereld van toen gaven aan zijn lessen een bijzondere meerwaarde. Zijn lesmethode was, net als die van zijn 'maître inconnu' Guido Gezelle, weinig conventioneel. Evenals in Leuven onderwees hij wel de volledige programma-inhoud, en meer dan dat, maar hij behandelde die op een persoonlijke wijze. Zo organiseerde hij verplichte poézie-causerieën buiten de vaste lesuren en ontving hij op zijn kamer leerlingen om samen over literatuur te praten.

Twee jaar later neemt de dichter officieel het pseudoniem Camille Melloy aan, hoewel hij ook onder andere schuilnamen (zoals Joe Moonlight) publiceerde en blijft publiceren. In een brief zal hij later zeggen: 'Mijn schrijversnaam, Camille Melloy, is de eenige die ik aanvaard van al wie beweert van mij te houden. Niet uit hoogmoed, maar omdat ik die ten minste nogal schoon vind, en alles moet schoon zijn voor mij: gedachten, gevoelens, huisgevels etc. en onze mensengevels ook misschien!'[2] Nog in 1930 kent het Franse 'Comité de Littérature Spiritualiste' aan Melloy de prijs Claire Virenque toe voor zijn dichtbundel Le parfum des buis uit 1929. Criticus Joris Eeckhout, gezaghebbend redacteur van De Groene Linde en Het Vlaamsche Land, schreef die prijs even hoog aan als de Prix-Goncourt. Thematisch ligt Le parfum des buis in de lijn van Melloy's debuutbundel. Het jaar daarop bekroont de Franse Académie voor Taal- en Letterkunde Melloy's dichtbundel Retour parmi les hommes. In deze gedichten, die evenals de vorige te Parijs verschijnen, staat het medelijden van de dichter voor de armen en de kanslozen centraal. In 1934 ontvangt Melloy voor zijn bundel Enfants de la terre (die opnieuw te Parijs werd uitgegeven) de Edgar Poe-prijs, een bekroning die door het Parijse Maison de Poésie wordt toegekend aan een dichter die in het Frans schrijft maar niet de Franse nationaliteit bezit.

Via die grote Franse prijzen raakt Melloy als dichter uiteindelijk bekend in het eigen, kleine land. Vanuit Parijs kwam zijn faam overgewaaid naar Vlaanderen, zijn vaderland en inspiratiebron. Zijn keuze voor de Franse taal had meerdere oorzaken. Vooral het feit dat Melloy als college-student in het Frans les kreeg, terwijl het Nederlands toentertijd als minderwaardig voor het onderwijs en de letteren werd bestempeld, en het feit dat de eerste aanmoedigingen voor zijn literaire activiteit Franse verzen golden, hebben hier een rol gespeeld. Melloy betreurde dit soms, zoals tot uiting komt in zijn Offrande filiale (1931), het ontroerende relaas van zijn jeugdjaren, waarin de moederfiguur veel aandacht wegdraagt:

Je lui [=zijn moeder] procurais des livres flamands savoureux et édifiants à la fois, dont elle lisait chaque dimanche un chapitre. Je lui offrais aussi les miens, en rougissant. Une fois elle m'a dit: ′C'est dommage qu'ils soient écrits en français: je voudrais tant les comprendre !′ Mon coeur en a longtemps pleuré. A cause d'elle, pour elle j'eusse voulu être un écrivain flamand.

Maar achter de Franse taal gaat in al Melloy's werk een echte Vlaamse persoonlijkheid schuil. Camille Melloy mocht dan in het Frans schrijven, zijn verdiensten voor Vlaanderen zijn niet te onderschatten. Via zijn gedichten maakte hij Vlaanderen bekend in het buitenland. Terecht typeerde A. Mabille de Poncheville in zijn Promenades avec Verhaeren (1930) Melloy 'comme Verhaeren [...] de France et de Flandre'. In Frankrijk verwierf Melloy trouwens niet alleen literaire prijzen, want in 1938 bevestigde minister van buitenlandse zaken Paul Henry Spaak dat aan Melloy de toelating werd verleend om het ereteken van Ridder in de Orde van het Erelegioen te dragen, de toen hoogste burgerlijke onderscheiding in Frankrijk.

Vanaf zijn debuutbundel in 1923 tot zijn dood in 1941 publiceerde Melloy zowat elk jaar een dichtbundel. Altijd is hij de thematiek van zijn eerste verzen trouw gebleven. Als een hoogtepunt in zijn poézie wordt algemeen de bundel Le miserere du trouvère beschouwd. Het belijdende karakter en de religieuze toon vinden we ook in enkele prozastukken en reisverhalen, die vaak de lyrische vruchten waren van vrij exotische tochten, zoals een cruise op de Middellandse Zee, op weg naar het Heilig Land, in gezelschap van Stijn Streuvels en Antoon Coolen. Mooie diensten aan de Vlaamse letteren betoonde hij ook in de vele essays die hij aan landgenoten-literatoren wijdde. Zo verschenen in Franse, Duitse en Zwitserse tijdschriften artikelen van zijn hand over bijvoorbeeld Guido Gezelle, Stijn Streuvels, Karel van de Woestijne en Felix Timmermans. Van Streuvels en Timmermans vertaalde hij verscheidene boeken in het Frans.[3] Dat vertaalwerk deed hij altijd nauwgezet, in samenspraak met de auteurs, en die samenwerking was vaak de aanleiding tot een warme vriendschap. Kenmerkend zijn enkele woorden van Timmermans hierover: '[...] wat hij van mij vertaalde, was geen vertalen meer, maar een herscheppen, zo goed diep verstond hij mij, en had hij een inzicht in mijn binnenste. Hij heeft daardoor enorm veel voor mij gedaan, en als ik enigszins in de wereld der Franse Letteren bekend ben, is het aan hem te danken.'[4] Ook enkele van Melloy's eigen dichtbundels en verhalen werden vertaald, o.a. in het Engels en het Nederlands.[5] Naar het einde van zijn leven toe schreef Melloy steeds meer jeugdboeken. Ook dit werk knoopt, qua toonaard en thematiek, nauw aan bij zijn poëtische werk.

Een aparte plaats in dit laatste bekleedt zijn bundel Requiem uit 1941, het jaar waarin hij op 5 november, na een heelkundig ingrijpen, in de stadskliniek van Sint-Niklaas overlijdt. In deze laatste gedichten bezingt de dichter kalm en gelaten zijn dood en beschrijft hij met ironie de voorbereidselen tot de begrafenisplechtigheden. Hoewel Camille Melloy naar buiten toe steeds optimisme en levenslust wou uitdragen, was zijn persoonlijkheid niet zo eenduidig te omschrijven. Daarop maken zijn eigen woorden in een interview in De Standaard van 9 juni 1934 ons attent:

Mij hebben veel critici al vaak versleten voor ′poète de la sél;rénité′. Van nature ben ik noch blijmoedig noch teeder. Ik heb eerder aanleg tot melancholie met buien van opvliegendheid. Mijn zwaarmoedigheid, in den beginne romantisch afgestemd, heeft eene trage evolutie ondergaan naar de gelatenheid en naar de vreugde, met in elken bundel plotselinge wederopwellingen van droefheid. Mijn vreugde is een verworven vreugde. Ik geloof vast dat er een zekere eenheid in mijn werk is. Ik verdiep mij voortdurend in de natuur en in het menschelijk hart. Zo is mijn werk onvermijdelijk doorkneed met religie. Indien wij christen zijn, zal ook onze uitdrukking christelijk zijn [...].

De natuurlijke wijze waarop Melloy het verband legt tussen zijn leven en werk – hij mengt in het citaat voortdurend uitspraken over zijn leven en werk dooreen – bewijst hoe één dit alles was. 'Mijn herte en mijn tale, mijn zede en mijn zin, 't is al zoo van buiten, 't is al zoo van bin': 't ligt alles daar bloot op mijn handen'. Die Gezellewoorden uit 1877 had Camille Melloy met recht mogen uitspreken.

Bronnen

  • De Gonde (tijdschrift van de heemkundige vereniging De Gonde te Melle), jg. 19 (1991), nr. 3-4 (herdenkingsnr. over Camille Melloy).
  • Kroniek van een vriendschap. Camille Melloy (1891-1941) – Felix Timmermans (1887-1947). Uitgave van de Melse heemkundige vereniging De Gonde, A. De Baets, 1997.
  • Verzameling Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven: brieven, documenten en knipsels Camille Melloy (M457).
  • Voor een kennismaking met de poëzie van Melloy kan de lezer terecht in: Marcel Lobet, Les plus beaux poèmes de Camille Melloy (Parijs, Desclée De Brouwer, 1942), met een inleiding door Charles de Trooz (oud-hoogleraar te Leuven). Veel informatie over Melloy's leven en werk schenken ook de opstellen door Joris Eeckhout in zijn Litteraire profielen V (1932) en Litteraire profielen XI (1942) (Brugge, Excelsior).

Noten

  • 1. R.F. Lissens, 'Uit de leerjaren. Herinneringen aan Camille Melloy'. In: De Gonde (Tijdschrift van de heemkundige vereniging De Gonde te Melle), jg. 19 (1991), nr. 3-4, p. 89 en p. 93. [terug]
  • 2. Brief aan Yvonne Waegemans 01/04/1936. [terug]
  • 3. Van Streuvels: Contes à Poucette (1935, Prutske's vertelselboek) en L'enfant de Noel (s.d., Het kerstekind); van Timmermans: Triptique de Noel (1931, Driekoningentryptiek) en La harpe de Saint-François (1935, De harp van Sint-Franciscus). Te vermelden is ook Melloy's vertaling van Herman de Man: Maria et son charpentier (1941, Maria en haar timmerman). [terug]
  • 4. Brief aan Melloy's broer Joseph (pater Théophile) of Léopold (pater Théodore) d.d. 1941; geciteerd in De Gonde (tijdschrift van de heemkundige vereniging De Gonde te Melle), jg. 19 (1991), nr. 3-4, p. 34. Aan de relatie tussen Felix Timmermans en Camille Melloy heeft o.m. Gaston Durnez in zijn recente Timmermansbiografie enkele bladzijden gewijd (Felix Timmermans. Een biografie. Tielt: Lannoo, 2000, p. 315-316 en p. 488-491). [terug]
  • 5. Door Windham Joan: The king's Christmas present (1936, Cinq contes de Noel) en Heaven on earth (1937, Sur la terre comme au ciel); door Agnès Franklin: The troubadour of God (1938, Le jongleur de Dieu); door Stijn Streuvels, Vijf kerstvertellingen (s.d., Cinq contes de Noel). [terug]

© Stijn Vanclooster & CTB
Deze tekst verscheen als Stijn Vanclooster, 'Camille Melloy.' in: Zacht Lawijd, 1 (oktober 2001), p. 34-39.