Uitvoerder: Bart Nuyens
Promotor: Dr. Yves T'Sjoen, U Gent

A. Probleemstelling

In het onderzoek naar Ivo Michiels' auteurspoëtica (De Vos, Louage en Maes (red.), Een letterwerker aan het woord 1980; Bousset, Lezen om te schrijven. Een progressieve en cumulatieve lectuur van Het Boek Alfa van Ivo Michiels, 1988) is nog geen specifieke aandacht besteed aan de expliciete poëticale stellingname van de schrijver in de ruim driehonderd literatuur- en kunstkritische opstellen die in de periode november 1948 - oktober 1957 in Het Handelsblad zijn gepubliceerd. De weinig omvangrijke, literatuurwetenschappelijke studie spitst zich toe op de thematische en compositorische aspecten van beide romancycli, de Alfa-cyclus (1963-1979) en Journal brut (1983-2001), respectievelijk een ′taalkritisch′ en een ′taalcreatief′ opus (in de terminologie van Hugo Bousset, in Grenzen verleggen. De Vlaamse prozaliteratuur 1970-1986. I. Trends en II. Profielen, 1988/1990). De kritieken in Het Handelsblad zijn geschreven in een vroege fase van Michiels' scheppend werk, grosso mode de periode die de genese van de romans Het vonnis (1949) en Het afscheid (1957) omvat. De romans en novellen die Ivo Michiels (pseudoniem Henri Ceuppens) in die periode concipieerde, met onder meer Zo, ga dan (1949), Kruistocht der Jongelingen (1951), Spaans capriccio (1952) en De ogenbank (1953), heeft hij later meermaals verloochend. Toch werpt een studie van die vroege romans een licht op de ontwikkeling van Michiels' experimentele schriftuur. Tekstfragmenten, personae of themata uit De ogenbank en Het afscheid, maar ook een verhaal als 'Straks om middernacht' (1955), zijn later hernomen en/of gerecycleerd in de tiendelige romancyclus Journal brut, of in de hieraan voorafgaande bundel Verhalen uit Journal brut, met een 'Nawoord' (vijfde druk) waarin de conceptuele basis voor het tiendelige taalcreatieve opus al is gelegd. En ook de verhalen 'Ikjes sprokkelen' (genese: 1957) en 'Albisola mare, Savona' (genese: 1958) kregen later een nieuwe bestemming in Journal brut. (respectievelijk deel 1, De vrouwen van de aartsengel, 1983; deel 7, Daar komen scherven van, 1995). Michiels geldt in de Vlaamse literatuur van de afgelopen decennia als een typevoorbeeld van een ′opusschrijver′ (Bousset, Schrijven aan een opus, 1982, p.43-58), een auteur die autoreferentiële verwijzingen integreert in nieuw proza, die teksten assembleert met oud(er) materiaal en nieuwe betekeniskaders ontwerpt of eigen werk becommentarieert.

Een studie van de literatuur- en kunstkritische opstellen die Michiels schreef in diezelfde periode werpen ongetwijfeld weer een ander licht op die geleidelijke groei van de oorspronkelijk klassieke schrijver naar het ′grensverleggende′ (Bousset), ′andere′ (Polet) of experimentele proza van de jaren zestig. Precies in die recensies, die een steeds programmatischer inhoud krijgen, tracht de schrijver een specifieke positie in het literaire landschap te verwerven en toetst hij de eigen schrijfarbeid aan (tegen)voorbeelden. De expliciete poëticale stellingname van een zoekend schrijver in de opstellen kan bestudeerd worden tegen de achtergrond van de impliciete, tekstinterne poëtica die uit het scheppend proza zelf blijkt en ermee geconfronteerd worden.

B. Inhoud

De 287 literatuurkritische opstellen die Ivo Michiels vanaf 9 november 1948 ('Terug naar het boek') tot 8 oktober 1957 ('In het stille centrum van de tyfoon. Richard Friedenthal: ′Die Welt in der Nuszschale′') in Het Handelsblad publiceerde, vormen samen met de 110 kunstkritische teksten (oktober 1951 - oktober 1957) het corpus van Michiels' vroegste kritische schrijfarbeid. De teksten ontstonden tijdens de leerjaren van de schrijver en dragen in zich, in de brede context van een traditionele romantische opvatting over (katholieke) literatuur, de eerste (zelfbewuste) kiemen van een experimentele schriftuur, die pas vanaf 'Ikjes sprokkelen' (publicatie: 1958) op het voorplan zal treden. Michiels openbaart zich in deze kritieken als een peilend, zoekend auteur die geleidelijk aan werkt aan de eigen positie die hij de volgende jaren in de Nederlandstalige literatuur zal bekleden. In de kritieken komt Michiels' waardering voor de toenmalige, nog steeds beeldbepalende internationale katholieke roman aan het licht. Het katholicisme en de verwerping van het geloof, maar ook de existentiële twijfel, de traumatische oorlogservaringen zullen later op een zeer divergente wijze thematisch en tekstarchitecturaal worden uitgewerkt in de Alfa-cyclus en Journal brut. De wijze waarop andere auteurs worstelden met deze thema's vormt meermaals het uitgangspunt voor Michiels' explicitering van het eigen standpunt. Daarnaast draagt Michiels in zijn eerste recensies ook argumenten aan om zich van de psychologische roman tijdens en kort na het interbellum te distantiëren en een documentaire en historische romankunst te bepleiten. Ten slotte bieden deze besprekingen inzicht in de geleidelijke manier waarop het vormexperiment nadrukkelijk op de voorgrond treedt tijdens de rijpingsjaren (jaren veertig en vijftig). Uit het kritisch werk blijkt dat de aandacht voor formele strategieën in literaire teksten steeds toeneemt in de loop der jaren, en dat ook de recensies zelf experimenteler vormen gaan aannemen (en het reductieprincipe illustreren dat later bepalend worden voor Michiels' schrijfstijl, cf. Een letterwerker aan het woord, p.329). Naast een studie van de ontwikkelingen van thematiek, poëticale profilering en vormelijke aspecten kan een onderzoek naar de literaire kritiek van Michiels ook gegevens opleveren omtrent wereld- en maatschappijbeeld, een aanzet geven tot een invloedenstudie (met bijvoorbeeld de nadruk op de nouveau roman), et cetera. In elk geval kan op grond van de materiaalverzameling verder literatuurwetenschappelijke studie worden verricht.

C. Doelstelling

De verzameling en inventarisatie, het editeren en annoteren van en ten slotte ook het kritisch commentaar op Michiels' Handelsblad-kritieken brengt ongetwijfeld een 'vergeten' fase van diens schrijverschap in kaart. Die vergetelheid heeft gedeeltelijk te maken met Michiels' eigen distantiëring van het vroegste scheppende proza, maar is vooral te wijten aan het ontbreken van een volledige materiaalverzameling van alle kritieken en een studie die is gebaseerd op een degelijke, wetenschappelijk betrouwbare editie van die kritische opstellen. De lectuur van en commentaar op dat kritische werk kan, zoals vermeld, een ander en breder perspectief openen op het poëticale onderzoek dat (maar zeer gedeeltelijk, vanaf de publicatie van Het boek alfa, 1963) is verricht.

In dit editieproject zal de klemtoon liggen op het verzamelen en bibliografisch beschrijven van alle teksten in Het Handelsblad, het bezorgen van kritische leesteksten (en een lijst met verantwoorde editeursingrepen in de respectieve basisteksten) en het leveren van een commentaar op de ontwikkeling van Michiels' kritisch literair oordeel, diens positie in het literaire kritiek van de jaren veertig en vijftig en het belang van dat kritische werk voor de profilering van de scheppende kunstenaar/romancier. De groei van een gematigd traditioneel schrijver naar een vooraanstaand experimenteel auteur kan op grond van deze studie nader worden bepaald.

D. Beoogde resultaten

Het editiewerk zal resulteren in een commerciële uitgave (De Bezige Bij), en de presentatie van een selectie van het materiaal (in overleg met (co)promotor en editeur) zal plaats hebben tijdens een colloquium, dat integraal zal worden gewijd aan Michiels' literaire werk (inclusief het literatuurkritische werk).